Franz Liszt

Een deels verkeerd begrepen, een nog steeds onderschat en zelf te bescheiden musicus.
Een rokkenjager, in luxe levend in de Parijse salons, die vrouwen in de concertzalen tot hysterie bracht, bijna uitsluitend pianomuziek schreef met véél te véél noten,een zeer begaafd, maar oppervlakkig pianovirtuoos, die zich tijdens zijn musiceren vrijwel alléén richtte op het creëren van uiterlijke effecten,goed bevriend was met de megalomane en decadente Richard Wagner, en deze enorm steunde in het tot uitvoering brengen van diens grootschalige opera´s,en zowel in zijn levensstijl als in zijn musiceren zich een ware Hongaarse zigeuner betoonde.
Dit is beeld dat vele muziekliefhebbers van Franz Liszt (1881-1886) hebben, óók diegenen die redelijk goed bekend zijn met klassieke muziek. En om al bovengenoemde redenen zullen liefhebbers van romantische pianomuziek meestal de voorkeur geven aan die van Chopin, muziek welke immers rustiger van karakter is, en veel meer diepgang heeft, of zou hebben. Niets ten nadele van Chopins muziek, maar bovengeschetst beeld van Liszt behoeft een grote mate van bijstelling.
Franz Liszt werd geboren in 1811 in de toenmalige veelvolkerenstaat Oostenrijk-Hongarije, nét in het Hongaarse deel, in een gebied dat tegenwoordig in Oostenrijk gelegen is. Hij was daarom formeel Hongaar van geboorte, maar zijn genealogische wortels en opvoeding waren volledig Duits, zo sprak hij zelf en zelfs, op enkele woorden na, geen Hongaars. In zijn latere ontwikkeling als mens en als musicus paste hij veeleer in de Franse en Duitse romantiek, aan welke hij een enorme opwaartse impuls gaf. In zijn opvatting over wat ´Hongaarse muziek´ was, die hij inderdaad graag propageerde, heeft hij zich chromelijk vergist, ondanks enkele verdienstelijke werken in die richting. Zijn vooral bij vrouwelijke luisteraars hysterie wekkende publiekelijk toegankelijke pianorecitals beëindigde Liszt reeds op 37-jarige leeftijd, waarmee hij zijn zogenaamde ´eerste periode´ afsloot.
Daarna zou hij in het grootste deel van zijn actief muzikale leven hierná (hij gaf zijn eerste piano-optredens op elfjarige leeftijd) zich beperken tot muzikale optredens in de bescheidenheid van de salons en huiskamers. In de daarop volgende, zogenaamde ´tweede periode´, waarin hij goeddeels in Weimar verbleef, maakte hij zich verdienstelijk door werken uit de toen ´moderne´ school (zijnde vrij-rapsodisch en vaak met programmatische inhoud) van collega-componisten onder een breder publiek bekend te maken. Zo dirigeerde hij composities van Von Weber, Berlioz, Verdi, Wagner én zichzelf, in de openbare concertzaal. Tevens maakte hij van deze werken transcripties voor piano, zodat zij door ieder enigszins begaafde pianist konden worden gespeeld om van de toenmalig ´nieuwe´ muziek kennis te nemen.
Inderdaad was Liszt bevriend met Richard Wagner, en muzikaal vonden zij elkaar in een stijl die pathetisch (in de tóen positieve zin van het woord: ´hartstochtelijk´),soms overdadig, en vaak programmatisch van aard was.Tegelijkertijd sjorden zij beiden –overigens zeker niet als enigen- aan de streng formalistische en tonale instrumentale genresvan de Weense klassieken Haydn, Mozart en Beethoven. Aan deze stijl had de laatste zelf trouwens ook al getornd. Liszt en Wagner kunnen daarom als de voortzetters van Beethovens muziek, maar dan in heftig romantische zin beschouwd worden, zoals Brahms diens klassieke stijl juist probeerde te behouden. Ook bij deze beide componisten begon het tonale stelsel, zoals gegrondvest en ontwikkeld in de barok en tot bloei gebracht in de klassieke tijd, door het groeiend gebruik van chromatiek steeds meer te wankelen. Uiteindelijk schreven zij werken waarin de grondtoon nog maar zeer moeilijk vindbaar was. In dit opzicht spande Wagners “Tristan und Isolde” hierin de kroon, en had dit werk –naast andere opera´s van deze meester- enorme invloed op de muzikale en culturele wereld van de tweede helft van de negentiende eeuw, tot aan ´vroeg-modernen´ als Richard Strauss en Gustav Mahler, en uiteindelijk Schönberg toe.De grote belangstelling en waardering voor Wagners composities waren zeer terecht, ook al namen deze bij vele muziekliefhebbers soms dweepzieke en hysterische vormen aan. Vooral door dit laatste aspect raakte in die tijd Liszts muziek onderbelicht. Het beroemde Tristan-akkoord (f – b – dis – gis, van onderaf zich over twee octaven uitstrekkend) was al, met een klein verschil, veel eerder te horen geweest in een overigens onbekend lied van Liszt, “Ich möchte hingehn”. Elke keer als Wagner door zijn omgeving hieraan herinnerd werd, barstte hij in woede uit en riep hij het akkoord, waaromheen de opera “Tristan und Isolde” volledig is gebouwd, geheel zélf gevonden te hebben. De bescheiden Liszt heeft zich nooit in deze discussie gemengd. In de vriendschap met Wagner was hij, zoals ook in elk ander contact, een ´gever‘, zoals Wagner in alles een ´nemer‘ was, of het nu vriendschappen, liefdesaffaires of mogelijkheden om aan geld te komen betrof. De vriendschap met Wagner ging echter, vooral persoonlijk méér dan muzikaal, een blijvende afkoelingsperiode in, toen Liszts dochter Cosima haar eerste echtgenoot, Hans von Bülow, een begenadigd dirigent en pianist, ´inruilde´ voor een liefdesaffaire en tenslotte een huwelijk met Wagner. Liszt betoonde grotere waardering voor de aristocratische Von Bülow, die tijdens de feitelijke scheiding van Cosima, zelfs zo edelmoedig bleek om de première van Wagners “Tristan und Isolde” te dirigeren. Liszt begon in Wagner steeds meer een charlatan te herkennen, die bijvoorbeeld niet te beroerd was om op latere leeftijd, reeds gehuwd met Cosima, toch nog een liefdesaffaire aan te gaan met de dochter van de Franse schrijver Theóphile Gauthier.. Niettemin zou Liszt het werk van Wagner altijd blijven waarderen en propageren, bezocht hij regelmatig het Festspielhaus in Bayreuth, en werd hij begraven in de tuin achter Wagners huis in dezelfde Beierse stad. De anekdote wil zelfs, dat het laatste woord dat Liszt op zijn sterfbed murmelde, “Tristan”” zou zijn geweest.
Latere pogingen van het na de Eerste Wereldoorlog inmiddels zelfstandige Hongarije om het graf van Liszt naar Hongaarse bodem over te brengen, stuitten echter op verzet van de Hongaarse ´muzikale intelligentsia´. Liszt had zélf gedacht de Hongaarse muziek gepropageerd te hebben, vooral met zijn ´Hongaarse rapsodieën´ voor piano. Zo kreeg ook het in 1875 in Boedapest opgerichte conservatorium de naam van ´Ferenc (het Hongaarse equivalent van “Franz”) Liszt´. Hij had zich hierin echter deerlijk vergist, omdat hij zich baseerde op de in de stad en bij de adel populaire Hongaarse zigeunermuziek. Bartok en Kodaly hadden aan het begin van de twintigste eeuw een grootschalige onderzoek naar de werkelijk Hongaarse volksmuziek (die zich onder andere kenmerkt door tóen in West-Europa onbekende maatsoorten en vaak door pentatoniek). En daarom wilden vele Hongaarse musici niet, dat Liszt, deze ´feitelijke Duitser´,in Hongaarse aarde zou komen te liggen. En zo rust deze nu nog steeds op korte afstand van Wagner.
Terwijl de indrukwekkende opera´s van Wagner geheel cultureel Europa overspoelden, ging Liszt muzikaal ondertussen een andere en stille, destijds onopgemerkt gebleven eigen weg. Hij,die ooit pianowerken had gecomponeerd die technisch zo moeilijk waren, dat alleen hijzelf deze in zijn tijd kon uitvoeren, die zich in zijn Parijse periode graag omringd had met de grote componisten uit die periode, als Chopin, Bellini, Rossini, Berlioz en Paganini, die elkaar muzikaal wederzijds ´bevrucht´ hadden, de vrouwenversierder, die onder andere twee langdurige liefdesaffaires met adellijke dames er op nagehouden had, zonder met dezen, al levend in het Victoriaanse tijdperk, gehuwd te zijn, die de oorspronkelijke kamermuziek, zoals werken voor pianosolo, het strijkkwartet en het romantische lied van de salons naar de openbare concertzaal gebracht, en zo het ´récital´ geïntroduceerd had, die de schepper was geweest van het symfonisch gedicht, een orkestraal werk met programmatische inhoud, waarvan hij er zelf vijftien in een grootschalige stijl had gecomponeerd, deze Liszt raakte steeds meer in de ban van mystiek, verstilling en religie, en bezocht steeds vaker Rome, waar hij in 1865 de lagere wijding ontvangt (dit omdat hij zich natuurlijk niet op een celibatair verleden kon beroepen). Hij kleedt zich voortaan in de rooms-katholieke toga en noemt zich ´abbé Liszt´. Weliswaar ontvangt hij talloze onderscheidingen en eredoctoraten voor zijn muzikale en andere verdiensten, en blijft hij heen en weer reizen tussen Boedapest, Bayreuth en Rome, muzikaal is er voor hem een ander tijd aangebroken. Zijn lang onbekend gebleven , zogenaamde ´derde periode´, gaat in. In 1868 schrijft hij een kort pianowerkje, dat hij in alle bescheidenheid, “Bagatelle sans tonalité” noemt. Muziekhistorisch is hier echter geen sprake van een kleinigheid. Waar bijvoorbeeld Wagner, ondanks het veelvuldig gebruik van chromatiek en zwevende tonaliteit, zijn opera´s toch uiteindelijk altijd nog in een traditioneel tonaal slotakkoord laat eindigen, blijft dit pianowerkje aan het einde als het ware ergens in de lucht ´hangen´. Liszt heeft de grondtoon en een ´keurige´ harmonische afsluiting losgelaten, en zet dus muzikaal-technisch een wezenlijk stap verder dan de op dat moment triomfen vierende Wagner. Pas veertig jaar later zou Arnold Schönberg, met zijn “Drei Klavierstücke” hetzelfde doen, en daarmee de geschiedenis ingaan als de eerste componist van atonale muziek, iets wat dus achteraf bezien niet juist is. Liszt gaat steeds meer richten op het componeren van rooms-katholieke kerkmuziek, die hij van iedere (in zijn ogen én oren:) romantisch-sentimentele wolligheid probeert te ontdoen. De invloed van Bach, de grote oude meester, wiens werk in de loop van negentiende eeuw een ware renaissance beleeft, is goed hoorbaar in Liszts composities. De polyfone structuren blijkt hij evengoed te beheersen als de razende watervallen in zijn eerdere pianowerken. Ook maakt hij in Rome weer kennis met de oude Middeleeuwse moden, de toonschalen van de vroegste Europese kerkmuziek. Zijn pianowerken zijn kort, sober, hebben een ´zoekend´ karakter, missen iedere overdaad aan noten en zijn vér weg geraakt van de vroegere virtuositeit. De muziekhistorische invloed van de werken van deze ´late Liszt´ lijkt minimaal, dit vooral omdat de meeste pas vér in de twintigste eeuwse ontdekt en uitgevoerd zouden worden. In die tijd immers hadden Schönbergs atonaliteit en latere twaalftoonstechniek, en Strawinsky ’s ´Le sacre du printemps´, de muzikale wereld al lang op zijn oude grondvesten doen schudden, en de periode van de romantiek afgesloten. Toch maakt Liszt vlak vóór zij dood kort kennis met een Franse jongeman, die door het winnen van de ´Prix de Rome´ drie jaar ter verdere muzikale studie in de ´eeuwige stad´ mag doorbrengen. Deze jongeman, op dát moment ook nog geheel in de ban van Wagners muziek, luistert naar de verstilde stijl van de late pianowerken van de inmiddels oude zieke meester, en neemt elementen hiervan mee terug naar Parijs. Opgevoed als deze Fransman is in het voortdurend bewegelijke “moduler toujours” van diens Franse, alweer sterk door Wagner geïnspireerde, leermeester César Franck, maakt zich van Wagners invloeden bijna geheel los, en ontwikkelt een stijl waarin de muziek elke heftigheid ontbeert en juist lijkt ´stil te staan´. Grote invloed met deze sobere stijl heeft hij op zijn landgenoot Satie assassination of jesse james by the coward robert ford the free unknown dvd en ook in enige mate op de in dat moment in Parijs verblijvende Igor Strawinsky, beiden de eerste uitgesproken anti-romantici.
De naam van deze jonge Fransman? Claude Debussy. Niettemin is de stijl van Debussy´s werken beslist niet alleen gevormd door de latere werken van Liszt, evengoed zijn er elementen in te horen als die van de Javaanse gamelan, toch nog steeds van Wagners laatste opera “Parsifal”, wederkerige invloeden van Satie en Strawinsky, en van andere maat- en toonsystemen, zoals wat het laatste betreft de pentatoniek en de heletoonstoonladder. Toch kunnen we zo stellen dat het late werk van Liszt nog een kleine indirecte invloed heeft gehad op de generatie van Franse en in Frankrijk werkzame componisten rond 1900, die met een nuchtere stijl een tegenwicht wilden bieden aan de laatromantische Duitse overdaad van bijvoorbeeld Bruckner, Mahler en Richard Strauss. Mede geïnspireerd door Debussy´s en Satie´s muziek creëren onder anderen de leden van de Franse ´Groupe de six´ en Maurice Ravel een hybride, maar veelzijdige: luchtige, ironische, exotische, expressionistische en/of jazzy klank. De muziek van Frankrijk was tot aan de door het land in 1870-1871 van Pruisen verloren oorlog, zo positief ontvankelijk geweest voor de Duitse romantiek, maar daarna verweesd geraakt. Zij heeft dan inmiddels haar eigen stijl tegen de Duitse invloeden gevonden.
Aan het slot van deze beschouwing zou het de muzikale snob natuurlijk passen om te spuwen op Liszts vroege virtuoze pianowerken, diens pompeuze symfonische gedichten en de ´Hongaarse rapsodieën´ (welke immers de ware Hongaarse volksmuziek niet representeren), en zou deze zelfde snob met grote bewondering moeten spreken over de late werken van Liszt.
Wat mij betreft niets van dit alles. Men waardere maar wat men waarderen wil, wél hoop ik het stereotype beeld van deze negentiende eeuwse gigant (die qua muzikaal genie en belang niets onderdoet voor Berlioz, Schubert, Wagner, Mahler en andere romantische grootheden) genuanceerd, zoniet ontkracht te hebben.



